Opdracht:

Vul een van de volgende woorden in: cirkel, precies, oceaan, lucifer, centimeter, centrum, cijfer, cement, citroen, december, provincie, circus, cel.

Op de fruitschaal ligt een kiwi en een ....
Ik steek de kaars aan met een ....
Ik smeer pindakaas op mijn boterham, wel een .... dik.
Wij wonen in de .... Zuid-Holland.
In .... vieren we Kerst.
In de vakantie gaan we met mijn familie naar het ....
Dr. Proktor en Bulle zitten in de ....
Een .... is de grootste open watervlakte op aarde.

Bedenk met de overgebleven woorden zelf een zin en schrijf ook deze zinnen in je schrift.