Opdracht:

Deel 1.
Woorden met ooi: mooi, kooi, strooi. Bedenk er nog vier bij.
Woorden met aai: kraai, vlaai, draai. Bedenk er nog vier bij.
Woorden met oei: sproei, knoei, bloei. Bedenk er nog twee bij.

Deel 2.
Maak drie rijmpjes, een rijmpje met ooi-woorden, een rijmpje met aai-woorden en een rijmpje met oei-woorden.
Voorbeeld: Ik graai met een draai naar de kraai.