Opdracht:

Bedenk drie dingen in de klas met een sch of schr.
Bedenk een kledingstuk met een sch of schr.
Bedenk twee gebouwen met een sch of schr.
Bedenk drie dieren met een sch of schr.

Hoe noem je een schaar, schep en schroevendraaier samen?

Wat hoort er bij? (tegenstelling)
vies en ...
recht en ...
bot en ...

Schrijf dit op.