Opdracht van deze week:

Bedenk vijf woorden bij school, vijf woorden bij de winkel, vijf woorden bij de garage en vijf woorden bij de politie. Schrijf deze woorden onder elkaar op. Zet het verkleinwoord erachter.

Voorbeeld bij een schip:

schip - scheepje
anker - ankertje
zwabber - zwabbertje
scheepsbel - scheepsbelletje
kraaiennest - kraaiennestje